Home

Naar een gedataficeerd, übertransparant Silicon-reich

Het magisch-realistische universum van de Argentijnse dichter en schrijver Jorge Luis Borges leent zich goed ter verkenning van wat ik de digitale tijdgeest zou willen noemen. In een soort literaire hoax, Over de onbuigzaamheid in de wetenschap geheten, roept hij het volgende beeld op:

… In dat Rijk bereikte de Kunst der Cartografie zo’n volmaaktheid, dat de kaart van één enkele Provincie een hele stad in beslag nam, en de kaart van het Rijk een hele Provincie. Met de tijd voldeden die Bovenmatige Kaarten niet langer en de Colleges van Cartografen maakten een Kaart van het Rijk die de omvang van dat Rijk had en er zorgvuldig mee samenviel.

Wie meent deze vertelling weg te kunnen zetten als het exclusieve hersenspinsel van een literair fantast, gaat voorbij aan het feit dat onze bits- en byteswerkelijkheid uitgesproken surrealistische trekjes vertoont. Zo worden wij sinds enkele jaren geconfronteerd met een equivalent op microniveau van Borges’ fabel. We zijn namelijk getuige van de opkomst van een bijzonder college van cartografen, ook wel bekend als de Quantified Self-beweging.

Wat deze zogenoemde lifeloggers of self-trackers voor ogen staat, is niet zozeer het op werkelijke schaal in kaart brengen van een vreemd terrein, als wel het op werkelijke schaal in kaart brengen van het eigen terrein. Deze cartografen van het zelf tekenen de kaart van hun leven door hun hele wandel en handel in spreadsheets bijeen te brengen.

Je zou ook kunnen zeggen dat de culturele tijdgeest die ons de metroseksueel schonk, een digitale variant heeft voortgebracht, te weten: de dataseksueel. Dit copuleren met data is niet noodzakelijkerwijs een privéaangelegenheid. Onder het motto ‘sharing is caring’ deelt de ware hardcore datafetisjist zijn uitkomsten met het publiek. De eerste die hier serieus werk van maakte was grafisch ontwerper Nicholas Felton die, vanaf 2005, zijn persoonlijke data in een jaarverslag visualiseert en te koop aanbiedt: the Annual Feltron Reports.

De ambitie om persoonlijke data volledig in beeld te krijgen, vertaalt zich in het meten van alles wat maar aan een mensenleven meetbaar is. Met behulp van sensoren en slimme gadgets, weet men de werking van het lichaam in getallen te vatten, zoals daar zijn: lichaamstemperatuur, bloedsuikerwaarden, calorietoevoer, calorieverbruik, bewegingsprofielen, hart- en slaapritme, transpiratie, vetpercentages, menstruatiecyclus, de stoelgang en nog zo wat van dergelijke lichaamseigenschappen. Maar niet alleen de werking van het lichaam leent zich voor dataficering, ook sociale bezigheden zijn uiteraard te kwantificeren, zoals: bioscoop-, theater en restaurantbezoek, alcohol- en frisdrankgebruik, Facebook- en twittertijd, offline communicatie- en interactiemomenten, winkel-, reis- en leesgedrag, en ga zo maar door.

Zelfkwantificerende innovaties die het lichaam en het gedrag monitoren en ontleden, laten een stormachtige ontwikkeling zien. Van geavanceerde apps tot slimme sensoren in kleding, armbanden, schoenen of pleisters; de markt speelt gretig in op een databehoefte die, naar mijn stellige overtuiging, op het punt staat mainstream te worden.

Dat levert even fascinerende als huiveringwekkende producten op. Zo is er al een glurende etalagepop ontwikkeld, Eye See, die klantbewegingen blootlegt en koopgedrag scant op en correleert met geslacht, leeftijd en etniciteit. En hoewel dergelijke surveillancesystemen nog wel eens op verzet stuiten, bestaat er tegelijkertijd een groeiende groep individuen die zich vrijwillig aan allerlei vormen van zelfsurveillance onderwerpt. Een app, Placeme, die elke stap die je zet registreert, komt tegemoet aan deze behoefte. ‘Always remember your places’, luidt de omineuze aanbeveling op de site van deze zelf-tracker.

Waar komt deze dataverzamelwoede vandaan, aan welke behoefte beantwoordt ze en waar leidt ze uiteindelijk toe? Dat zijn zo’n beetje de vragen die ik in deze lezing zou willen verkennen.

De meest ondubbelzinnige aanwijzing over de behoefte waaraan data-grooming tegemoet komt, komt van de Quantified Self-beweging zelf: zelfkennis door getallen, ‘self knowledge through numbers’, luidt het devies van de zelfkwantificeerders.

Met andere woorden: achter heel die wereld van ambivalente gevoelens en tegenstrijdige indrukken, houdt zich een te ontcijferen zelf schuil, een traceerbaar ik, samengesteld uit fact and figures. Lifeloggers staat een heel scala aan ingenieuze meet- en rekenapparatuur ter beschikking waarmee zij hun levenskaart kunnen tekenen. Een kaart die onontgonnen gebieden moet ontginnen, een Borgiaans logboek die tot elke uithoek van het particuliere leefgebied reikt. Weet men de bundeling gegevens die de mens is te achterhalen, dan worden er structuren en samenhangen zichtbaar die anders onzichtbaar zouden blijven. Wie maar lang genoeg zo veel mogelijk data aan zichzelf onttrekt, en hun onderlinge betrekkingen identificeert, loopt zo als het ware en bij toverslag zijn echte ik tegen het lijf. Dat schept een even aantrekkelijk als overzichtelijk perspectief: de mens als machine waarvan men de gegevens ‘uitleest’, de constitutie overzichtelijk samenbalt in een printje (dat desnoods als hand-out gebruikt kan worden), op basis waarvan men tot een betere afstelling komt.

Als u het mij vraagt schuilt er een impliciet verlangen achter deze datavariant op het aloude ‘meten is weten’-geloof, namelijk: wie de harde cijferrealiteit weet te onthullen en haar verborgen patronen zichtbaar maakt, pantsert zichzelf tegen al die verwarrende en grillige gewaarwordingen van de zachte mensenrealiteit, zoals emoties, verbeelding, intuïties, interpretaties en impulsen. Nietzsche karakteriseerde de mens als ‘het nog niet vastgestelde dier’; een vaststelling waar de gemiddelde zelf-tracker de dataritis van krijgt.

Een veelzeggende illustratie hiervan werd enige tijd geleden geleverd door Amy Webb, een Amerikaanse auteur en columnist voor het online magazine Slate. In een artikel getiteld ‘I Measure Every Single Thing My Child Does’ gaf zij een opzienbarend staaltje weg van wat ook wel bekend staat als ‘data driven parenting’. Dat is een opvoedkundig model waarbij men obsessief alles registreert wat er maar aan een baby of kind te registeren valt. Over haar drijfveren, schrijft zij het volgende:

“It occurred to us that while our baby daughter couldn’t communicate directly beyond crying, we could have a deeply intimate, beneficial conversation with her through data. We realized that we could quantify and study her in an attempt to optimize all of her development.”

We hebben God doodverklaard en de Grote Verhalen ten grave gedragen, maar dit stukje tekst is wat mij betreft exemplarisch voor een eigentijds verlossingsgeloof: het dataïsme. Het citaat legt getuigenis af van een belangrijk wezenskenmerk van deze geloofsbelijdenis: de wil om alles wat het bestaan onvoorspelbaar, ondoorzichtig en onberekenbaar maakt (in dit geval het huilen van de baby), voorspelbaar, doorzichtig en berekenbaar te maken. De belofte van data, en de rekenkundige verwerking ervan met behulp van algoritmen – statistiek 2.0, zo u wilt – is er één van totale inzichtelijkheid, beheersbaarheid en optimalisering, te bereiken door een al even totaal toezicht. De digitale tijdgeest wordt dan ook voortgedreven door een niets of niemand ontziende transparantiedwang.

Transparantie. Ooit voorbehouden aan een permanente eigenschap van materialen als folie en glas, is deze materiële hoedanigheid verworden tot een eis waaraan het handelen moet voldoen, het categorisch imperatief van het informatietijdperk. Je zou ook kunnen zeggen dat het Westen in de 21ste eeuw geplaagd wordt door een endemisch geworden transparantiekoorts.

Hoezeer deze koortsige toestand onze systeem- en leefwereld heeft weten te beheksen, mag wel blijken uit een interessant proefschrift dat in 2012 verscheen, met als titel: Transparantie, icoon van een dolende overheid. De auteur, Erna Scholtes, laat zien dat het gebruik van de term ‘transparant’ in landelijke dagbladen en Tweede Kamerstukken tussen 1995 en 2010 explosief is toegenomen, een periode die goeddeels samenvalt met een ongekende stroomversnelling van de informatisering van de samenleving. Scholte maakt overigens inzichtelijk dat het begrip transparantie inmiddels zoveel ladingen dekt, dat het feitelijk betekenisloos is geworden.

Dat laat onverlet dat transparantie de internetwaarde bij uitstek is. Of het nu Piratenpartijen zijn of de NSA, Julian Assange of de overheid, de Occupy-beweging of de internetindustrie: op weg naar het beloofde land eist iedereen zijn of haar deel op van het transparantiemanna dat ons uit de digitale hemel ten deel valt.

De diepere bron voor deze transparantiecultus moet volgens mij gezocht worden in een pré-internetsentiment. Dat wil zeggen: een diepgewortelde, atavistische argwaan ten aanzien van menselijke motieven in het bijzonder en menselijk handelen in het algemeen. Onze handelingen zijn namelijk niet alleen onomkeerbaar – ‘gedane zaken nemen geen keer’ – de gevolgen ervan zijn ook nog eens volstrekt onvoorspelbaar en onoverzichtelijk. Eén enkele daad kan een hele keten van reacties in gang zetten die letterlijk tot het einde der tijden voortduurt, om de filosofe Hannah Arendt te parafraseren. Het is een even fascinerende als verontrustende gedachte. Feitelijk betekent zij dat de mens die handelt nooit weet wat hij doet.

De hele geboekstaafde geschiedenis lang hebben denkers en doeners zich dan ook het hoofd gebroken over de vraag: hoe de menselijke kudde zo te temmen dat ze ons niet meer voor onverwachte verrassingen stelt. Een vraagstuk dat in wezen neerkomt op het verlangen om menselijke handelingen voorspelbaar te maken en derhalve te neutraliseren. Van Plato’s ideale staat, waar de koning-wijsgeer absolute maatstaven aan de kudde moest opleggen, tot aan de grote tirannieën van de twintigste eeuw, heeft men zich in woord en daad, met meer of minder succes, aan deze opdracht gewijd.

Data en algoritmen brengen de verwezenlijking van deze droom binnen handbereik. Een droom waar de gemiddelde despoot zijn tirannieke vingers bij zou aflikken. En dat doet hij natuurlijk ook, al zijn onze democratisch gekozen dwingelanden meer van het zachte soort. In het postideologische tijdperk laten zij zich vooral leiden door twee preoccupaties waarmee de massa’s zich nog wel laten conditioneren en disciplineren: veiligheid en gezondheid. Ter bevordering hiervan laat men de digitale sleepnetten zakken en worden de datazeeën langzaamaan leeggevist, waarna de vangst met behulp van algoritmen tot hapklare brokken wordt verwerkt.

De socioloog Willem Schinkel heeft de gevolgen van deze revolutionaire hengeltechniek met een pakkend neologisme samengevat: prepressie – een samentrekking van de woorden preventie en repressie. Prepressionele bestuurs- en beheerspraktijken zijn het resultaat van de mogelijkheid om grote hoeveelheden persoonsgegevens op te slaan (denk aan kind- en patiëntendossiers) en digitale archieven aan elkaar te koppelen.

Het combineren van dergelijke digitale dossiers maakt het mogelijk risicoprofielen op te stellen. Daarmee kan men populaties identificeren die de veiligheid of de gezondheid van zichzelf of hun omgeving potentieel in gevaar brengen. Zo’n screening leidt ertoe dat men vroegtijdig ongewenste levensvormen kan opsporen en ombuigen in de richting van gewenste levensvormen. Al met al hebben we hier te maken met een poging de gevolgen van het handelen onschadelijk te maken, nog voordat de handeling in gang is gezet.

Zo zijn onze professionele datahengelaars in staat alle potentiële terroristen in kaart te brengen. Sterker nog, ze ontmaskeren de terrorist nog voordat deze zelf op de hoogte is van zijn terroristische plannen. Hetzelfde principe leent zich ook goed voor het opsporen van burgers die mogelijkerwijs tot belastingfraude geneigd zijn. Met behulp van het nieuwe Systeem Risico Indicatie (syri) is op 1 september 2014 een wetswijziging doorgevoerd die het mogelijk maakt om via datamining en patroonherkenning van een veelheid aan digitale bestanden te voorspellen of er een belastingontduiker in de belastingbetaler schuilt. Deze doorlichting van de burger geschiedt volgens dezelfde methodiek waarmee men profielen van criminelen en/of terroristen opstelt.

Het zal u niet ontgaan zijn, maar deze twee voorbeelden maken duidelijk dat een van de fundamenten van onze rechtsstaat, de onschuldpresumptie, aan erosie onderhevig is. Sterker nog, ze neigt naar haar omdraaiing: u bent schúldig tot het tegendeel bewezen is. Daarmee stuiten we op het wezen van terreur zoals Hegel dat begreep: een situatie waarin verdenking onmiddellijk overgaat in veroordeling.

Uiteraard leent ook de gezondheidszorg zich voor vergaande vormen van dataficering. Zo zijn er al zorgverzekeraars die experimenteren met polissen waarvan de premie afhankelijk is van de hoeveelheid data die de patient in spe deelt. Uw datasporen zijn namelijk een behoorlijk betrouwbare indicator voor allerhande onheil dat u in potentie onder de leden heeft. Ze leggen leefpatronen bloot, denk aan eet- en bewegingsgewoonten, met een zekere voorspellende waarde voor de gezondheid. Wie in de toekomst zijn data niet wenst te delen, of zich niet conformeert aan het vigerende gezondheidsbegrip – zet 10.000 stappen per dag of uw premie gaat omhoog – heeft ongetwijfeld iets te verbergen. Aan de profetisch woorden van Yuri van Geest, voorman van de quantified self-beweging in Nederland, hoeft dan ook niet getwijfeld te worden. In een interview in NRC-handelsblad verklaarde hij: ‘Ik ben nu een gekke Henkie dat ik die data deel, maar over een tijdje zal de meerderheid het doen. Dan ben je een egoïst als je je data voor jezelf houdt.’

Achter de eenzijdige databenadering van Van Geest en de zijnen, gaat een nogal schraal mens- en wereldbeeld schuil, samen te vatten onder de oneliner: u bent de data die u genereert, net zo voorspelbaar, berekenbaar en controleerbaar als elke andere machine. De gedachte dat de mens een uniek, niet reproduceerbaar, meervoudig wezen is, is voor de dataseksueel onverteerbaar.

De reductie van de mens tot een informatiegenererende machine, leidt tevens tot een platvloerse, eendimensionale interpretatie van onze sociale Umwelt. Tellen is namelijk geen vertellen. Laat ik dat toelichten.

Wie de zwaarlijvigheid terugbrengt tot de hoeveelheid beweging, vet, calorieën, koolhydraten en al die andere overzichtelijk factoren die zich in een werkblad laten vangen en vergelijken, verliest iets wezenlijks uit het oog, namelijk dat het individu tevens een product is van zijn sociaal-economische omgeving. Weerbarstige vraagstukken, zoals de relatie tussen armoede en leefstijlen of tussen inkomensongelijkheid en maatschappelijke spanningen, verdwijnen daarmee uit zicht. Hetzelfde geldt natuurlijk voor de terrorist en zijn of haar beweegredenen. Het profiel van de potentiële amokmaker komt als het ware automatisch uit het systeem rollen.

In deze van causaliteit gezuiverde ‘meten is weten’-wereld, hoeft men zich niet meer te bekommeren om de vraag: hoe verhouden levensgang en levenswijze zich tot elkaar, welk verhaal wordt hier verteld? Aan de ongemakkelijke waarheid dat individuele stoornissen de gestoordheid van het geheel weerspiegelen, om met de Franse denker Herbert Marcuse te spreken, hoeft men zich niet te branden. In een gedataficeerde werkelijkheid worden we bevrijd van de onoverzichtelijke keten van oorzaak en gevolg; correlatie vervangt causaliteit, een onverbiddelijk ‘het-is-zo’ vervangt de ambiguïteit van het ‘waarom’, tellen komt in de plaats van vertellen.

Aan Albert Einstein wordt de volgende uitspraak toegeschreven: ‘Not everything that can be counted counts, and not everything that counts can be counted.’ Zou hij vandaag uit het graf herrijzen en zien waar onze hedendaagse cijfergoochelaars toe in staat zijn, dan zou hij zichzelf ongetwijfeld voor het geleerde voorhoofd slaan, de uitspraak stante pede van zijn schoolbord verwijderen en vervangen door: ‘Everything that can be counted counts, and everything that counts can be counted.’ Het bestaan als een hogere vorm van boekhoudkunde; mooier kunnen we het niet maken, wel makkelijker.

Iets van vergelijkbare aard moet Chris Anderson, voormalig hoofdredacteur van het tijdschrift Wired, hebben gedacht. In een geruchtmakend artikel kondigde hij ‘Het einde van de theorie’ aan Volgens hem kan de wetenschappelijke methode overboord, omdat die achterhaald zou zijn. In een gedataficeerde wereld spreken de getallen voor zich en hebben we geen ingewikkelde theorieën gebaseerd op hypothesen meer nodig, aldus Anderson.

Dit verklaart meteen waarom de bewustzijnsvernauwing die gepaard gaat met een datadelirium, vaak als bevrijdend wordt ervaren. Door oplossingen voor problemen te definiëren in termen van hun calculeerbaarheid, fungeert het datadelirische ethos als bezweringsformule voor het menselijk tekort. Is een probleem of ongerijmdheid nog niet opgelost, dan is dat eenvoudigweg een kwestie van meer data of beter rekenwerk.

Deze toestand creëert een soort halfslaap waarin men droomt dat er eenvoudige oplossingen bestaan voor ingewikkelde problemen en waarin subjectieve waarden worden omgetoverd in objectieve feiten. De enige norm is een rekennorm; de dataïst compenseert zijn gebrek aan verbeeldingskracht door haar met feiten op te vullen, hij tracht metafysische en morele vragen letterlijk weg te cijferen. De waarheid van het dataïsme trekt de zin uit het leven. Het suggereert een absoluut weten, maar impliceert een absoluut niet-weten. De dataïst is in wezen een nihilist.

En zo gloort er een rimpelloze, heerlijk nieuwe wereld aan de horizon die, op de vlucht voor de realiteit, de ambivalentie uit haar ervaringsdomein heeft verbannen.

Het ziet er naar uit dat de inwoners van Cybertopia binnenkort geen beslissingen meer hoeven te nemen of lastige morele dilemma’s hoeven op te lossen, die komen namelijk eigenstandig uit de gegevens rollen. De definitie van goed en kwaad, wat de onbedorven geest onderscheidt van de bedorven geest, de niet-crimineel van de crimineel, gezond gedrag van ongezond gedrag; onze algoritmische orakels bewaken de grenzen, u kunt rustig gaan slapen.

Voor de gedesillusioneerden van vandaag is dit waarschijnlijk een hele opluchting, want daar waar normatieve keuzes overbodig worden, worden op termijn ook politici overbodig. Dit stille verlangen naar een vorm van algoritmisch bestuur, sluit overigens mooi aan bij de libertarische visioenen die in Silicon Valley zo virulent rondzingen. De komst van de digitale heilstaat draagt de belofte in zich onze democratie om te toveren in een technocratie.

Voor libertariër Peter Thiel – durfinvesteerder, mede-oprichter van paypall en ook wel gezien als het intellectuele geweten van Silicon Valley – vertegenwoordigt deze belofte de kern van zijn techno-utopie. In een lezing, die u op youtube kunt terugvinden, vergelijkt hij mensen die de fundamentele slechtheid van regeringen ontkennen met duivelontkenners. En op de vraag waarom hij een libertariër is, verklaart hij: ik vind politiek te intens, dat is waarom ik een libertariër ben.

Intens of niet, zoveel mag inmiddels duidelijk zijn: het surrealisme van Borges blijkt heel wat minder surreëel zodra je onze nakende technotoop in het licht beziet van de idealen van de gemiddelde data-fetisjist. Levenskaarten laten samenvallen met hun ervaringsgebieden: wat de cartografen van het zelf op individueel niveau doen, doen staat- en marktpartijen op collectief niveau. Dwz: levende lichamen en geesten reduceren tot informatiedragers, die je aan de voorkant in de machine stopt, om ze er aan de achterkant gedundrukt uit te laten komen.

De hiervoor beschikbare tracking & targeting technieken leveren behoorlijk curieuze innovaties op. Innovaties waar zelfs de fantast Borges bleek bij afsteekt. Zo heeft allesverkoper Amazon onlangs een octrooi aangevraagd op anticiperende pakketbezorging. Dat moet het bedrijf de mogelijkheid geven om op basis van uw online zoekgeschiedenis, uw sociale mediagebruik of andere digitale sporen die u achterlaat, boeken te bezorgen nog voordat deze besteld zijn. Dit alles uiteraard tegen aantrekkelijke kortingen en, mochten de ambities van Amazon bewaarheid worden, met behulp van drones.

Pizzaketen de Pizza Hut heeft zo mogelijk een nog fantastischer idee voor ons petto. Naar verluidt experimenteert men aldaar met een zogenoemd ‘subconscious menu’. Het schijnt namelijk dat menig pizzahutbezoeker, geconfronteerd met een al te overvloedige spijskaart, een keuze maakt waar hij of zij naderhand spijt van heeft. Uit onderzoek blijkt evenwel dat de pizza op het menu waar het oog van de klant als eerste op valt, en even bij blijft hangen, dat daar het werkelijke verlangen naar uitgaat. En dus heeft men een slimme menukaart ontwikkeld die, met behulp van sensoren, uw werkelijke pizzavoorkeur na drie seconden weet te achterhalen. En zo behoort de pizzakeuzestress definitief tot een analoog verleden.

Wat deze relatief onschuldige voorbeelden duidelijk maken, is dat onze geavanceerde gadgets en slimme meet- en weet apparatuur, dromen, verlangens en voorkeuren zichtbaar maken waarvan we onszelf niet eens bewust zijn. En dat is heel wat minder onschuldig dan mijn voorbeelden suggereren. De mens als open boek die zijn psychologisch profiel gratis en voor niets weggeeft: wat voor veel Silicon Valley-cheerleaders een zegen is, komt mij vooral als vloek voor.

Wie namelijk zijn psyche – zijn hoop, angsten, dromen en gedachten – al dan niet vrijwillig uit handen geeft, verliest feitelijk zichzelf. En als er geen zelf meer is, als je alleen nog maar een ding bent, een hoopje informatie, gereduceerd tot grondstof voor datahandelaren, dan word je vroeg of laat een object ter manipulatie. Exclusieve toegang tot je gedachten is de noodzakelijke voorwaarde voor zelfbeschikking; de mens die dit privilege verliest, is een naakt mens, gestript van zijn waardigheid en vrijheid.

Aan dit soort bespiegelingen heeft Facebook-oprichter Mark Zuckerberg ongetwijfeld een broertje dood. Eerder deze zomer gaf hij ons een inkijkje in zijn toekomstplannen: een telepathisch sociaal netwerk waar de gebruikers elkaars gedachten kunnen lezen. Tijdens een Q & A-sessie met zijn Facebook-schare, konden we het volgende uit zijn mond optekenen: ‘Ik geloof dat we op een dag dankzij technologie in staat zullen zijn om complete, rijke gedachten direct naar elkaar te versturen. Als je dan aan iets denkt, kunnen je vrienden dat onmiddellijk ook ervaren. Als je dat wilt’, voegde hij er voor de zekerheid nog aan toe. Ik zou zeggen: goed nieuws voor adverteerders, veiligheidsdiensten en The Zuck zelf natuurlijk.

Hoe dan ook, de naakte mens leeft in een wereld waar, om met Multatuli te spreken, ‘dieven minus de moed om in te breken’ hem overal volgen, tot aan zijn huis-en slaapkamer aan toe. Of het nu zijn slimme Google-thermostaat ‘Nest’ is, zijn slimme iPhone, zijn slimme horloge, zijn slimme Samsung-kijkt-altijd-met-u-mee-tv, zijn slimme zoekmachine of van mijn part – ik verzin het niet – zijn slimme vork, vloerkleed, spiegel of bed: als hij zich terugtrekt in zijn innerlijke citadel kijkt, leest en luistert een duizendkoppig monster met hem mee.

De komst van het internet der dingen – die hele beestenbende van samengeklonterde, slimme apparaten die met elkaar en onzichtbare derden communiceren – dit ‘internet van alles’ zet ons hele privacy-begrip op de tocht. We maken ons zorgen over de invasie van vluchtelingen, scherpen grenscontroles aan, maar ondertussen ligt de grens tussen onze binnenwereld en buitenwereld er steeds vaker onbewaakt bij.

Wat de uitholling van dit onderscheid tussen binnen en buiten betekent, dwz de onmogelijkheid je te onttrekken aan het spiedende oog van, pak ‘m beet, minister Plassterk (die onlangs aankondigde zijn omstreden aftapwetgeving door te zetten) of de onmogelijkheid je te beschermen tegen de helderziende blik van supernerd Zuckerberg (die, zoals u misschien weet, privacy al eerder heeft doodverklaard), wat deze uitholling precies inhoudt, heeft de schrijver Milan Kundera indringend onder woorden gebracht. In zijn essay Testaments Betrayed, schrijft hij het volgende:

“(…) Ze beseften dat de privésfeer en de publieke sfeer twee essentieel verschillende werelden zijn en dat respect voor dat verschil de onontbeerlijke voorwaarde, de sine qua non is om de mens in vrijheid te laten leven; dat er niet mag worden getornd aan het gordijn dat deze twee werden scheidt, en dat curtain-rippers misdadigers zijn.”

In digitale tijden bevinden the curtain rippers zich aan beide zijden van het gordijn. Terwijl lobbyisten van internetgiganten als Google en Facebook er alles aan doen om de gordijnen met roede en al naar beneden te trekken, schuift de digitale burger de zijne steeds verder opzij. Het resultaat is een tragikomisch spektakelstuk. Tragisch, omdat de kans om als bijvangst in de digitale fuik terecht te komen en, in het uiterste geval, getrakteerd te worden op een enkeltje Guantanamo Bay of een andere onheilsplek waar de uitzonderingstoestand geldt, omdat die kans allerminst denkbeeldig is. De ervaringen met ‘Gitmo’ spreken voor zich.

Maar gelukkig valt er soms ook nog wat te lachen. Nou ja, als een boer met kiespijn, want ook uit dit verhaal blijkt hoe ver het beleg van onze intieme leefsfeer al gevorderd is. Uit een opzienbarende reportage uit 2012 in The New York Times bleek de Amerikaanse discountketen Target zijn naam eer aan te doen door zwangere vrouwen te ‘targeten’ via hun aankooppatronen. Het bedrijf identificeerde een lijst van producten die het in staat stelde een zwangerschapsvoorspelling te berekenen die vrij nauwkeurig de datum van bevalling kon inschatten. Daarmee kon de prijsvechter in ieder stadium van de zwangerschap met gerichte aanbiedingen komen. En zo kon het gebeuren dat op een goede dag een boze man verhaal kwam halen waarom hij kortingsbonnen voor rompertjes en wiegjes kreeg opgestuurd. Wat bleek? Het geheim waarin hij nog niet gekend was, werd hem door de targeteers van de marketingafdeling onthuld: zijn tienerdochter bleek zwanger.

Al met al, en na de onthullingen van Edward Snowden hoeft het ons niet meer te verbazen, is er een copieus datadiner gaande. En of het nu individuele datagekkies zijn die aanschuiven, staatslieden, spionnen, marktlui in persoonsgegevens of de grootdatabezitters van Silicon Valley, wat hen verenigt in hun informatiehonger is een ziekelijke zucht naar controle.

Daarmee hebben we meteen een belangrijk archetype te pakken, een archetype dat juist in ons gedigitaliseerde tijdsgewricht op zijn wenken wordt bediend: de controlefreak. Dat is iemand die van begin tot einde heer en meester wil blijven over het eigen en andermans doen en laten. In elke controlefreak schuilt dan ook een tiran; in het gunstigste geval tiranniseert hij slechts zichzelf, in de meeste gevallen ook zijn omgeving. De Franse filosoof Michel Foucault heeft hier ooit een puntige typering van gegeven, en ik citeer: ‘Op ieder moment in te grijpen en al een constante pressie uit te oefenen voordat fouten, vergrijpen of misdaden zich voordoen’. Ik speel vals: wat Foucault hier beschrijft is niet de controlefreak zelf, maar daar waar hij het liefst thuiskomt: het panopticum.

In het kader van deze lezing mag een blik op de werking van het panoptische model dan ook niet ontbreken. Het ideaal van het panoptisme – dat letterlijk alziendheid betekent – is namelijk een levend ideaal. Dat we hier niet te maken hebben met een abstractie, werd enige tijd geleden nog eens onderstreept door Yuri van Geest, de eminente lifelogger die ik eerder aanhaalde. In een interview zei hij het volgende: ‘We komen in een panopticum waarin de bewaker ook zichtbaar is. Straks weet iedereen alles over iedereen.’

Met deze ambitie geeft hij een eigentijdse invulling aan het toekomstvisie van 18de eeuwse filosoof Jeremy Bentham, de bedenker van het panoptische principe. Benthams intentie was om dit principe een algemeen maatschappelijke functie te laten vervullen die, in zijn eigen woorden: ‘de moraal (kan) hervormen, de gezondheid beschermen, de industrie stimuleren, het onderwijs verbreiden, de publieke lasten verlichten, de economie een rotsvaste basis verlenen (…): dit alles dankzij een simpel architectonisch idee.’

En zoals de Quantified Self-laboranten op kleine schaal experimenteren met wat zich op grote schaal laat herhalen, beperkte Bentham zijn grootse maatschappij-experiment in eerste instantie tot de microkosmos van bewakers en gedetineerden.

Daartoe bedacht hij een gevangenisontwerp waarmee gedetineerden geobserveerd en gedisciplineerd konden worden. Dit alles volgens het beginsel dat de macht zichtbaar, maar ondoorzichtig moest zijn. Om dit te bereiken ontwierp hij een cirkelvormig gebouw met in het midden een wachttoren van waaruit de bewaker alle gevangenen in de gaten kon houden – een ontwerp waarnaar de koepelgevangenissen in Haarlem en Breda gemodelleerd zijn.

Het spiedende oog van de macht was enerzijds altijd zichtbaar voor de gevangenen (zij keken immers op de surveillancetoren uit), maar anderzijds ondoorzichtig doordat de ramen van de toren geblindeerd waren. Dit laatste aspect was essentieel. De veroordeelde was zich bewust van zijn permanente zichtbaarheid, maar hij wist nooit zeker of hij ook daadwerkelijk bespied werd. Evenmin kon hij zich vergewissen door wie hij bekeken werd; het alziende oog was een anoniem oog. Deze beide elementen – of en wie – moesten het machtseffect optimaliseren.

En hier komt Michel Foucault weer in beeld. Hij heeft laten zien dat Benthams vondst overal toepasbaar is en een ideaal model om alziend toezicht en effectieve controle op het dagelijkse leven uit te oefenen. Want dit machtsmechanisme laat zich spontaan en geruisloos gelden en heeft aldus Foucault ‘geen andere fysieke instrumenten nodig om individuen te beïnvloeden dat het net en het algoritme’. Ik zie u fronsen, en met recht, want begrippen als het net en algoritme zijn in het discours van Foucault uiteraard afwezig. Wat ik heb gedaan is zijn woorden architectuur en geometrie vervangen door het net en algoritme. Een kleine cosmetische ingreep waaruit Benthams ideaal volumineuzer en vitaler dan ooit tevoorschijn komt: het digitale panopticum.

Uiteraard bestaan er ook een aantal verschillen tussen het analoge origineel en de met digitale middelen gebotoxte versie. In de versie van Bentham waren de gevangenen opgesloten in aparte cellen, gescheiden door tussenmuren die het contact met lotgenoten belemmerde. Het isolement moet de orde garanderen. In de virtuele versie is deze ontwerpeis losgelaten. Communicatie is hier juist een voorwaarde voor het in stand houden van de orde. Het digitale panopticum staat in het teken van connectiviteit, van het aanjagen van informatie- en communicatiestromen – het verdienmodel waar de internetindustrie op draait. Isolement zou zand in deze machinerie strooien. Je zou kunnen zeggen dat Facebook, Twitter en WhatsApp de cipiers zijn die de digitale dwangarbeiders in het gareel houden.

Ook in een ander opzicht verschilt de panoptische structuur van vandaag van die van gisteren. In het panopticon van de 21ste eeuw is de alziende blik gedecentraliseerd, centrum en periferie wisselen voortdurend van positie, waarbij het nooit helemaal duidelijk is of men zich nu in het midden of aan de rand ophoudt. Kortom, de rollen van observant en geobserveerde zijn diffuus en tot op zekere hoogte uitwisselbaar geworden. Wie welke wachttoren bezet, krijgt zo een willekeurig karakter. Dat verhoogt de efficiency van het geheel; iedereen kan immers van alle kanten door iedereen belicht worden; zelftoezicht en toezicht door derden vloeien onmerkbaar in elkaar over.

Onlangs hebben twee jonge VPRO-documentairemakers dit principe in de praktijk gebracht. Hun interessante experiment, ‘Super Stream Me’ bestond eruit dat zij zichzelf 24 uur per dag livestreamden en dat wij hun activiteiten online en interactief konden volgen. Indachtig het life logging-ideaal was hun spreadsheet met persoonlijke gegevens, zoals hartslag, drankinname en masturbatiefrequentie, te raadplegen. Na ruim twee weken werd het project afgeblazen; de belasting wat te groot, het gebrek aan privacy brak de makers op. Tragische ironie van dit alles: voor ons blijft de omnipresente blik van het digitale panopticum goeddeels verborgen. Maar wat deze makers op kleine schaal in de praktijk brachten, vindt op grote schaal natuurlijk allang plaats.

Het belangrijkste onderscheid tussen het klassieke panopticum en de digitale versie moet echter gezocht worden in het object van toezicht en controle. Bij Bentham concentreerde de machtsuitoefening zich primair op het lichaam. Het dwangmiddel – de anonieme blik – effectueerde zich via de fysieke gestalte van de gedetineerde. Foucault noemt deze vorm van machtsuitoefening biomacht. Zolang men de beschikking had over lijf en leden van de crimineel, de waanzinnige of de perverseling, kon de disciplinerende macht haar invloed laten gelden. En nu het cruciale verschil: het digitale panopticon werkt niet primair op het lichaam in, maar op de geest – de zetel van ons vermogen om te denken, te willen en te oordelen.

Het lijkt misschien een hele sprong, maar op dit punt van mijn betoog verschijnt, als een duveltje uit een doosje, Jesse Klaver op het toneel. Want deze verschuiving van lichaam naar geest is een goed voorbeeld van wat de GroenLinks-leider economisme noemt, de gedachte dat alle maatschappelijke vraagstukken tot economische kwesties te herleiden zijn. Staat u mij toe Klavers veronderstelling in historisch perspectief te plaatsen.

Ten tijde van de industriële revolutie vond er een grootschalige industrialisering van het lichaam plaats. We legden onze spierkracht in de machines en met de massaproducten die van de lopende band afrolden, veranderden we langzaam maar zeker in consumenten. Er werd echter zoveel overbodig consumentenspul gemaakt, dat het kapitalisme al snel met overproductie en winsterosie werd geconfronteerd. Toen haalden de kapitaalwoekeraars en eeuwige groei apologeten een kunststukje uit dat vaak onderbelicht blijft. Men ontdekte het domein van de menselijke geest als een onuitputtelijke bron voor waardevermeerdering. Er ontstond zoiets als een geestesindustrie die zich toelegde op de annexatie, manipulatie en exploitatie van onze verlangens, dromen, emoties en vriendschappen.

De dynamiek die dit economisme gaande houdt, is even simpel als subtiel. Omdat een consument een bewustzijn is met een verlangen, staan hedendaagse techniektitanen voor de opdracht dat bewustzijn te vangen. Heeft men dat bewustzijn eenmaal te pakken, dan is het een koud kunstje onze verlangens in de gewenste richting te sturen en tot in het oneindige aan te jagen. Data en algoritmen, kruipolie van deze Megamachine, slagen hier wonderwel in en vervolmaken de werking van wat sommige economen dan ook een verlangenseconomie noemen.

Andere economen spreken ook wel over aandachtseconomie. Dat is goed getroffen, want de frontlinie in deze strijd om de geest is inderdaad onze aandacht. Onze slimme en o zo manipulatieve snufjes zorgen voor een totale mobilisatie van onze aandacht. En zoals op ieder slagveld, gaat deze totale mobilisatie, deze weergaloze bewapening met communicatiemiddelen, gepaard met een even totale destructie van aandacht. Resultaat: wijdverbreide concentratie- en aandachtsstoornissen, ADD, infobesitas, twitteritis en nog zo wat van die eigentijdse pathologieën. Waarschijnlijk moeten we hier de werkelijke draagwijdte zoeken van die veelbezongen disruptieve economie.

De overgang van de industriële naar de digitale revolutie laat zich in één zin samenvatten: van de industrialisering van het lichaam naar de industrialisering van de geest, van biomacht naar psychomacht, van stoommachine naar smartphone, de lopende band in onze broekzak.

Wie het hele menselijke ervarings- en leefgebied tot koopwaar wil reduceren, ontkomt er niet aan de laatste barrière die de commerciële exploitatie hiervan in de weg staat, te beslechten. Kortom, wat de Bastille was voor de Franse revolutie, is de privéburcht voor de digitale revolutie.
Of, om het in de woorden van Dave Eggers, auteur van de dystopische roman The Circle, samen te vatten: ‘Geheimen zijn leugens, privacy is diefstal’.

Tot besluit: probleem is niet zozeer de machine, de tablet of de robot, als wel de onwil of onkunde maatschappelijke eisen aan ze te stellen. Deze vrolijk twitterende auteur is dan ook allesbehalve een technofoob of vooruitgangshater. Wat mij wel wat fobisch maakt, is de allerminst onschuldige common sense-opvatting dat technologie neutraal zou zijn – een opvatting die, zo ontdekte ik tot mijn schrik, zelfs in Silicon Valley immens populair is.

Of deze veronderstelling nu op moedwil of misverstand berust, daar wil ik vanaf zijn, maar ons machine-universum is van oudsher en per definitie een mensenuniversum. Met andere woorden: in onze slimme apparaten en geavanceerde gadgets zitten mensen verstopt, de ziel van de cybertopians zit erin, hun mens- en wereldbeelden en opvattingen over het goede leven.

Wanneer wij het bouwen van onze wereld exclusief aan ‘techies’ overlaten, dan worden wij op een goede dag wakker om te ontdekken dat we in Nerdistan beland zijn. Dat is een rijk dat voortdurend gehuld gaat in een dikke datanevel en waarvan de bewoners hun geestelijke vermogens – hun vermogen om te denken, te oordelen en te willen – volledig geoutsourced hebben aan bedrijven als Google en Facebook. Welkom in uw heerlijke nieuwe wereld.

Er is kortom alle aanleiding de Silicon Valley-metaforen – move fast, brake things, don’t be evil! – en het ethos dat erin besloten ligt, kritisch te bevragen. Doen we dat niet, dan dreigen we in een über-transparant, van privacy gezuiverd Silicon Reich terecht te komen. Dat wil zeggen: een soort technocratisch fact & figures-bestuur dat een op data en algoritmen gebaseerde wereldordening nastreeft waar een kleine elite van hoogbegaafde programmeurs en superondernemers de dienst uitmaakt.

In de praktijken van de zelfkwantificeerders worden de contouren van deze digitale heilstaat zichtbaar. Zij belichamen uw brave new world. In de gelijknamige roman van Aldous Huxley kunt u nalezen wat de maatschappelijke consequenties zijn en hoe zo’n technostaat eruitziet: een hypergerationaliseerde samenleving waarin de digitale delinquenten, dwz de info- en communicatieconsumenten, hun gevangenschap als een bevrijding ervaren.

En hier komt de fantast Borges wederom in het spel. Want na het eerste deel van zijn fabel over de Mateloze Cartografen waarmee ik deze lezing aanving, geeft het tweede deel van zijn vertelling wellicht een aanwijzing over wat ons te doen staat:

“De Volgende Generaties, de Studie van de Cartografie minder Toegedaan, begrepen dat die uitgebreide Kaart Nutteloos was en leverden hem niet zonder Meedogenloosheid over aan de Onbarmhartigheden van de Zon en van de Winters. In de Woestijnen van het Westen staan nog uiteengevallen Brokstukken van de kaart, bewoond door Beesten en door Bedelaars.”

Deze lezing werd uitgesproken op uitnodiging van Studium Generale en SETUP en uitgesproken in het academiegebouw van de Universiteit van Utrecht op 29 september 2015. De lezing met inleiding en inclusief de illustraties, is hier terug te bekijken en te beluisteren: https://www.youtube.com/watch?v=njhcGAfvulY

One thought on “Privacyrede

  1. Pingback: De week « Bits of Freedom

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s