Home

In de Volkskrant (O&D, 20 oktober) hield Bram van Ojik, fractievoorzitter van GroenLinks in de Tweede Kamer, een even sympathiek als gloedvol betoog voor robotisering. Sympathiek omdat hij hoopt dat het werk dat de robots ons uit handen zullen nemen, de mogelijkheid tot zelfontplooiing vergroot en de ontspannen samenleving dichterbij brengt. Gloedvol omdat Van Ojik niet wil vasthouden aan de vanzelfsprekendheden van vandaag, zoals het centraal stellen van werk. Hij roept dan ook op tot een fundamenteel debat.

Toch trapt van Ojik met zijn stuk in de techno-utopische valkuil dat meer techniek tot onze bevrijding zou leiden, een verlossingsgeloof verspreid door de bits-en-bytes-zendelingen van Silicon Valley. De waarden die deze geloofsgemeenschap aanhangt en uitdraagt – efficiency, snelheid, gemak, transparantie – vallen in de praktijk lang niet altijd onverdeeld gunstig uit. Wat als een zegening verkocht wordt, blijkt meer dan eens in een vloek te verkeren. Wie vijftien jaar geleden had voorspeld dat de open netwerkstructuur van internet ingelijfd zou worden door overheden en bedrijven om ons massaal te bespioneren en te conditioneren, was waarschijnlijk voor gek verklaard.

Techniek heeft een januskop; ze houdt haar negatieve bijwerkingen zorgvuldig verborgen. Hoewel de voordelen van technologische innovaties in het begin meestal evident zijn, manifesteren de mogelijke nadelen zich pas op langere termijn. Denk alleen al aan de schadelijke neveneffecten van de industriële revolutie, en besef dat we in het enthousiasme over ons technisch vernuft vaak blind blijven voor de langetermijngevolgen. Ook van Ojik lijkt ten prooi te vallen aan deze dode techniekhoek.

Ik zou hem dan ook van harte het nieuwe boek van Nicholas Carr aanbevelen, De glazen Kooi. In dit boek vraagt Carr zich af wat automatisering met óns doet. Daar kan Van Ojik bijvoorbeeld lezen dat zijn veronderstelling dat minder werk en meer vrije tijd een sprong voorwaarts zou betekenen, waarschijnlijk op een misvatting berust. Carr laat zien dat hier een cognitieve vooringenomenheid in het spel is – een fout in het denken dus. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt namelijk dat we ons over het algemeen gelukkiger en tevredener voelen wanneer we aan het werk zijn, terwijl we tegelijkertijd tijdens werktijd verlangen naar vrije tijd. Deze paradox – in de psychologie aangeduid met de term miswanting – zou deels verklaard worden door sociale conventies. Een diepgeworteld idee dat ‘vrij zijn’ te verkiezen is en meer status toekomt dan ‘aan het werk zijn’. We hebben kortom de neiging de waarde van werk versus vrije tijd verkeerd in te schatten.

Op Van Ojiks werk-bevrijdingsthese valt dus wel het een en ander af te dingen. Zijn oproep tot een fundamenteel debat – ‘er is meer dan werk alleen’ – schiet echter schromelijk tekort. De snelheid en intensiteit waarmee nieuwe techniekontwikkelingen ons vandaag de dag overrompelen, nopen tot een veel fundamentelere vraag, namelijk: wat betekent het om mens te zijn? Geavanceerde techniektoepassingen worden steeds intiemer (Google Glass) en tegelijk alomvattender (het Internet der Dingen). Ze nestelen zich tussen, zeer dichtbij en zelfs in ons, veranderen de aard en beleving van de publieke ruimte, morrelen aan bestaande onderscheidingen (publiek-privé) en leggen nieuwe, technocratische machtsverhoudingen op.

De snelle digitalisering en robotisering van onze samenleving, maakt de vraag naar de menselijke conditie urgenter dan ooit. Uiteraard kunnen we eenvoudigweg meebuigen met al het moois dat onze techneuten voor ons in petto hebben en ons langzaam maar zeker laten ombouwen tot cyborgs – half mens half machine. Maar misschien is het toch verstandig eerst even stil te staan bij de vraag hoe de toenemende techniekafhankelijkheid ingrijpt op onze menswaardigheid. Wat betekent de vestiging van de technostaat voor onze vaardigheden, denkkracht, creativiteit, intuïtie, spontaniteit, solidariteit, autonomie en menselijke waardigheid?

De stampende opmars van slimme machines vergt een diepgaand maatschappelijk debat over de aard en gewenste inrichting van onze leefwereld. Een existentiële discussie over hoe we ons mens-zijn willen definiëren en in welke wereld we willen thuishoren. Inzet: willen we nog maatschappelijke eisen stellen aan onze techniek? En zo ja, welke dan?

Dit opiniestuk stond op 27 oktober 2014 in de Volkskrant, onder de kop ‘Buig niet mee met het moois van de techneut.’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s