Home

‘De conservatieven beginnen met teleurstelling, de progressieven eindigen met teleurstelling, allen lijden aan de tijd, en daarin stemmen ze overeen.’  Aldus de Duitse socioloog Niklas Luhmann. Wie zich van de juistheid van deze stelling wil vergewissen, zou het onlangs verschenen boekje Oikofobie van conservatief Thierry Baudet ter hand kunnen nemen. Daarin beweert hij dat onze maatschappelijke elites – kunstenaars, politici, wetenschappers, architecten, CEO’s, magistraten, journalisten, intellectuelen – lijden aan een ziekelijke afkeer van het eigene.

Deze ‘Blut und Boden’-verloochenaars vinden elkaar in hun ‘ideologische strijd tegen de natiestaat’. Wat hen verbindt en motiveert zou een ingekankerde weerzin zijn tegen de ‘geborgenheid van ons thuis’. Een pathologie die Baudet, geïnspireerd door de Britse filosoof Roger Scruton, oikofobie noemt (naar het Oudgriekse begrip oikos, dat feitelijk huishouding betekent). Ik vond het een prikkelende gedachte en was benieuwd naar de mogelijke oorzaken van deze aandoening. Baudet is immers historicus en hij zou ongetwijfeld een inkijkje geven in de ziektegeschiedenis van de patiënt.

Ik kwam van een koude intellectuele kermis thuis. Het werkje bleek één lange, doffe klaagzang tegen de usual suspects (multiculti’s, eurofielen en moderne kunstenaars) en een schrille tirade tegen al dat nieuwerwetse gedoe, zoals vibrators en atonale muziek. Allemaal manifestaties van een ‘ziekelijke behoefte aan vervreemding en ontworteling’. De prangende vraag waar die behoefte vandaan zou kunnen komen, raakt volledig verloren in Baudets woedende woordenkraam. Voor wie geïnteresseerd is in de intellectuele gedaante van de bange boze burger, is Oikofobie beslist een aanrader.

Nu is boosheid een nuttige emotie, maar ze verblindt ook. Zo vliegt Baudet gierend uit de bocht door het begrip oikos met een soort ‘oost west thuis best’-spruitjeslucht te besprenkelen. De Grieken zouden er hun neus voor hebben opgehaald. Voor hen stond het huis – de oikos, waar ons woord economie vandaan komt – geheel en al in het teken van economische bedrijvigheid. Het was het domein van vrouwen en slaven dat ten dienste stond van de heer des huizes. Niet om hem een fijn thuisgevoel te bezorgen, maar als bron van inkomsten en aanzien.

Door het archaïsche begrip voor huishouding te banaliseren en te reduceren tot de  tegeltjeswijsheid ‘zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens’, zet Baudet de lezer op een dwaalspoor. Had hij de betekenis van oikos serieus genomen, dan was hij waarschijnlijk tot de conclusie gekomen dat de sfeer van de huishouding in een global village is veranderd. Een soort monsterhuishouding op wereldschaal die alle facetten van het leven economiseert. Als onze elites al ergens last van hebben dan is het geen oikofobie, maar oikomanie: een ziekelijk enthousiasme voor hogere huishoudkunde.

‘Het restaureren van historische vormen die hun zeggingskracht hebben verloren, is altijd een vlucht in het obscurantisme’, schreef Thomas Mann. Wat voor Baudet geldt, geldt misschien ook voor mij. Vanaf deze plek heb ik immers meer dan eens gehamerd op de keerzijden van onze postgeografische, virtuele wereld. Sommige lezers lazen er een verlangen in naar de middeleeuwen en vroegen zich af of ik mijn stukjes met een ganzenveer schreef.

Een vleugje fin-de-sièclegevoel is mij inderdaad niet vreemd. Toch wil ik graag vooruit. De vraag is evenwel: wie is de heer des huizes van ons nieuwe digitale onderkomen? Maakt ons virtuele verblijf haar belofte van bevrijding waar of zijn we er de slaafse onderdanen van?

Voorlopig dreigen we volgens mij verstrikt te raken in allerlei vormen van digitale dwingelandij. We dragen het wereldwijde web op onze rug en internetindustrieën weten onze breintijd steeds beter te vangen, sturen en controleren. Een annexatie met totalitaire trekjes die primaire impulsen mobiliseert en aanspoort tot consumptie. Is onze ervaringswereld eenmaal teruggebracht tot driftmatige behoeftebevrediging, dan blijft er van de mens weinig anders over dan een goed afgericht dier wiens voornaamste rijkdom bestaat uit zijn vermogen tot voortplanting. Iemand die nog slechts zeggenschap heeft over zijn biologische reproductie: dat is de proletariër bij uitstek, een woord dat zijn betekenis immers dankt aan het Latijnse ‘proles’, ofwel nakomelingschap.

Dit zijn de contouren van onze postmoderne oikos. Hiervan wil ik de fundamenten blootleggen. Niet om het gebouw af te breken, maar in de hoop dat we er werkelijk thuis kunnen komen.

Omdat ook ik lijd aan de tijd, was dit mijn laatste column. Dank voor uw aandacht.

 

Deze column stond woensdag 2 oktober 2013 in de Volkskrant.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s