Home

Onlangs vertelde een vriend die ik na jaren weer eens sprak, dat hij een leer- en lakfetisj had ontwikkeld. Achteloos deed hij me de details uit de doeken – kleding, clubs, bondage en nog zo wat van die bijzonderheden. Hij had het heuglijke nieuws ook met zijn ouders gedeeld; vaderlief moest een beetje gniffelen, moederlief reageerde vooral bezorgd, naar ik begreep.

Facebook-voorman Mark Zuckerberg zei tijdens een interview in 2010 het volgende: ‘People have really gotten comfortable not only sharing more information and different kinds, but more openly and with more people. That social norm is just something that has evolved over time.’ ‘Privacy is dead’, vatte vele commentatoren het wereldbeeld van ‘The Zuck’ samen. Inmiddels heeft zijn digitale smoelenboek meer dan een miljard gebruikers.

Stel dat onze gesjeesde whizzkid gelijk heeft (hoeveel méér volgelingen moet iemand hebben om gelijk te krijgen?), is intimiteit dan ook dood? Zonder privacy is intimiteit immers een leeg begrip. Over precies zo’n situatie fantaseerde ik graag als jonge tiener. Vrij toegang tot de vertrouwelijke binnenwereld van anderen; altijd zou ik de ander een stap voor zijn. Grasduinend door zijn of haar gevoelens en gedachten, zou ik een enorme macht over mijn medemens kunnen uitoefenen. Aldus fantaserend verschrompelde ieder mens dat ik tegenkwam tot een object dat ik volledig kon manipuleren en controleren. Menigmaal sloeg mijn gedachte-experiment op hol en ontaardde in de totale vernedering van deze of gene.

Dit dehumaniserende droombeeld is goed van toepassing op de infoconsument, met dien verstande dat hij zichzelf tot object reduceert. Deze golem van het digitale tijdperk leeft in de overtuiging dat het verzamelen en delen van informatie en privégegevens gratis en vrijblijvend is. Hij blogt, skypt, surft, twittert, mailt, whatsappt en pingt zich een slag in de rondte. Zou hij, ergens aan de randen van zijn verdoofde bewustzijn, beseffen dat al die ‘gratis en voor niets’-diensten een prijs hebben? Dat hij zich daarmee in de uitverkoop zet en zijn autonomie en waardigheid op het spel zet? Waarschijnlijk wel. Maar uiteindelijk eist hij liever zijn internetvrijheid op als schadeloosstelling voor de vrijheid van denken waarvan hij zelden gebruik wenst te maken.

Het gratis gebruik maken van informatie- en communicatiediensten en het opslaan van persoonlijke data in de cloud, gebeurt onder de stilzwijgende premisse dat men de aanbieders van deze diensten een kijkje in de ziel gunt. Dat is per slot van rekening de basis van dit  Faustische ‘voor wat hoort wat’-verdienmodel. Helaas blijkt de bewustzijnsvernauwing bij de infoconsument dusdanig vergevorderd, dat zelfs klokkenluiders als Snowden de ogen sluiten voor dit simpele feit. Zodra de mede dankzij infoconsumenten mogelijk gemaakte surveillancestaat wordt ‘ontmaskerd’, wijst men naar alles en iedereen (Google, NSA, overheid), behalve naar zichzelf. Het nieuwe proletarisch winkelen – oftewel infoconsumentisme – is een grotere bedreiging voor onze vrijheid dan alle veiligheidsdiensten tezamen.

Helemaal pregnant wordt de struisvogelmentaliteit van de infoconsument wanneer het op health & safety aankomt – dé mobiliserende krachten van het postpolitieke tijdperk. Enerzijds schijnen steeds meer mensen steeds minder vertrouwen te hebben in de overheid. Anderzijds halen diezelfde mensen hun schouders op wanneer hun privégegevens in een DNA-database of elektronisch patiëntendossier belanden. Ten behoeve van veiligheid en gezondheid laat men zich graag scannen, digitaliseren of biometriseren. Pas wanneer de inbreuk op privacy tastbaar wordt (slimme energiemeter), begint men te pruttelen. Dat het Grote Gluren vandaag de dag goeddeels een virtuele kwestie is, en dus zelden tastbaar, schijnt de infoconsument niet te deren. Het moet gezegd: hij weet zijn ongerijmde opvattingen op bewonderenswaardige wijze met elkaar te verzoenen.

Donderdag 29 augustus worden de jaarlijkse Big Brother Awards uitgereikt aan de grootste privacyschenders van 2012. De naamgeving van deze prijs is ontleend aan George Orwells roman 1984. In de dystopische staat die Orwell beschrijft geldt: ‘Oorlog is vrede. Vrijheid is slavernij. Onwetendheid is kracht.’ Met dit Orwelliaanse indoctrinatieprincipe –  er gelijktijdig twee tegenstrijdige opvattingen op nahouden en ze beide aanvaarden – weet de macht zich onbeperkt te handhaven.

De infoconsument gehoorzaamt aan dit grondbeginsel. Hij is evenwel het principe van zijn eigen onderwerping. In zijn Heerlijke Nieuwe Wereld kan Grote Broer rustig gaan slapen.

Schaf de Big Brother Awards gerust af, de winnaar staat namelijk bij voorbaat vast. Helaas is hij niet genomineerd.

Deze column stond woensdag 21 augustus 2013 in de Volkskrant.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s