Home

‘Not everything that can be counted counts, and not everything that counts can be counted.’ Einstein had het mis. Dat deze uitspraak hoogstwaarschijnlijk ten onrechte aan hem wordt toegeschreven, dondert niet. Had hij hem wel bedacht, dan zou hij zichzelf vandaag ongetwijfeld voor het geleerde voorhoofd hebben geslagen, de zin stante pede van zijn schoolbord hebben verwijderd en vervangen door: ‘Everything that can be counted counts, and everything that counts can be counted.’

Big data en algoritmes. Het explosief toegenomen vermogen van computersystemen om grote hoeveelheden gegevens te verwerken en patronen te ontdekken waarvan we het bestaan niet vermoedden, had ook Einstein tot het inzicht gebracht dat meer meten altijd tot meer weten leidt – om het even wat we meten. De algoritmisering van het bestaan biedt oplossingen voor problemen die we (nog) niet kennen, legt verbanden die ongedacht blijven, genereert feiten waar de werkelijkheid het laat afweten en doet waarnemingen waar de ervaring blind voor blijft.

Deze vergaande rationalisering biedt ongekende mogelijkheden, zowel op macro- als op microniveau. Wie dezer dagen de krant erop nasloeg, kwam een aantal knappe staaltjes datamining tegen. Zo las ik over een glurende etalagepop, EyeSee, die klantbewegingen in kaart brengt en potentiële kopers scant op geslacht, leeftijd, etniciteit en koopkrachtpotentie. Op den duur leveren dergelijke gegevens enorme synergievoordelen op; klant en winkel zullen er hun performativiteit substantieel mee kunnen verbeteren.

Ook stuitte ik op een berichtje over een applicatie die via ‘spraak’herkenning alle diersoorten in het oerwoud kan onderscheiden en deze gegevens doorstuurt naar een centrale computer die 100.000 geluidsopnamen per uur(!) kan verwerken. Zo achterhaalt men welke soorten het meeste last hebben van ontbossing, klimaatverandering en van elkaar. Een dergelijk systeem toegepast op de natuurlijke biotoop van de mensenmierenmassa, de stad, ligt in het verschiet. Het zal de kunst van het samenproppen – oftewel stadsplanning – tot grote hoogten brengen.

Veelbelovende ontwikkelingen zijn er gaande op het gebied van de somatische (zelf)surveillance, een universum van microsensoren, microchips, spreadsheets, DNA-testen, slimme apps en smartphones. De mogelijkheid lichaamsinformatie in data te vertalen en die terug te koppelen naar informatienetwerken die lichaamsfuncties analyseren, haalt het beste in de mens naar boven. Zo heeft een Australisch bedrijf, ProfPro, een micro-implantaat ontwikkeld, ProDope, die de bloedwaarden van wielrenners onafgebroken meet en deze vertaalt naar dopinggebruik. Een algoritme kent de betreffende renner vervolgens een handicap toe door afwijkende bloedwaarden te corrigeren met fysiologische eigenschappen zoals lichaamsgewicht en lengte. Het idee achter dit handicapsysteem is om doping vrij te geven zodat we in de toekomst gevrijwaard blijven van al die hele en halve verdachtmakingen. De internationale wielerunie UCI schijnt inmiddels interesse te hebben.

Een Nederlandse innovatie mag niet onvermeld blijven. Het Amsterdamse LibidoTrack heeft een app uitgevonden, HookerUP, die op basis van gezichtsfysionomie, lichaamsbewegingen en sociale mediascans, de copulatiebereidheid van ieder willekeurig datasubject kan berekenen.

Datasubjectivisme heeft de toekomst, zowel op macroniveau (ter optimaal beheer van de massa’s) als op microniveau (ter bevordering van efficiënt zelfbestuur). Goed burgerschap en fatsoen zullen in toenemende mate afgemeten worden aan de bereidheid datasubject te worden. De ‘Quantify Self’-beweging, zogenoemde ‘lifeloggers’ die alles meten wat zij doen- of nalaten, stelt terecht dat de ruime beschikbaarheid van track-and-share-technieken de morele verplichting schept ze te gebruiken. ‘Self-tracking’, het opsporen van slaap-, ontlasting-, loop- en eetpatronen en het delen van de resultaten ervan, maakt ons op den duur allemaal wijzer, beter en gezonder. Collectieve zelfkwantificatie zal een diepere, innerlijke en stabiele waarheid over onszelf onthullen. Kortom, wie zijn lichaamsdata voor zichzelf houdt of gewoonweg negeert, is niet alleen een egoïst die de vooruitgang en zijn medemens frustreert, maar tevens een zelfloochenaar die waarschijnlijk wat te verbergen heeft.

Big data en algoritmen werpen ons de rollen van cartograaf, conservator, archivaris en bibliothecaris in de schoot. We hebben de plicht die rollen op ons te nemen. Alleen zo krijgen we toegang tot de staalkaart van ons leven, een machtige waaier waarop al het levensmateriaal in zijn volle kleurenpracht ons overzichtelijk en voor de eeuwigheid toestraalt.

De metroseksueel was een hype, de dataseksueel is here to stay.

 

Deze column stond woensdag 24 juli in de Volkskrant.

One thought on “Dataseksueel

  1. Pingback: Datasexueel | Harrie Keusters

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s