Home

Ondanks hun opkomende economie komen de Brazilianen in opstand. Wat begon als protest tegen de tariefsverhogingen van het openbaar vervoer, is uitgegroeid tot een brede volksbeweging tegen de graaicultuur. Mikpunt is onder andere de FIFA, een organisatie die symbool staat voor verkwisting, megalomanie en corruptie; precies de misstanden waar de gemiddelde Braziliaan zijn buik vol van heeft.

Ook de Turken hebben er, ondanks hun groei-economie, tabak van. Hier was een bouwproject in een park aanleiding voor een breder protest tegen het autoritaire bewind van premier Erdogan. Het schijnt dat een deel van de demonstranten in Turkije en Brazilië zich met elkaar vereenzelvigen. In Rio de Janeiro zwaaien sommige betogers met Turkse vlaggen en op Twitter worden over en weer gevoelens van solidariteit uitgewisseld.

Dat is interessant, want de verschillen tussen zowel de herkomst als samenstelling van beide protestbewegingen zijn behoorlijk groot. In Turkije lijkt het conflict vooral ideologisch van aard en broeit de onvrede hoofdzakelijk onder hoogopgeleide, grootstedelijke en seculiere Turken. In Brazilië lijkt er eerder sprake van een brede volksbeweging, in gang gezet door een klassiek herverdelingvraagstuk.

Toch is het niet vreemd dat de geest van revolte tot lotsverbondenheid tussen beide landen leidt. Naast de opkomst van een zelfbewuste middenklasse, een elite van nieuwe rijken en de gebruikelijke groeistuipen, ontstaat er in opkomende economieën altijd zoiets als een strijdbaar optimisme dat maatschappelijke verandering denkbaar is. In landen als Brazilië en Turkije staat er iets op het spel, de horizon is er nog wazig en het verlangen naar een betere toekomst reëel.

Verlangen is hier het sleutelbegrip. Zolang het verlangen niet is bevredigd, blijft het levend; is het begeerde eenmaal veroverd, dan dooft het verlangen. Men verlangt namelijk altijd náár iets, het is een toekomstgerichte energie die richting geeft aan het bestaan en ontvankelijk maakt voor ideeën en idealen die het leven een hogere zingeving geven. In opkomende economieën gist het verlangen massaal en virulent onder de oppervlakte. Wanneer de afstand tussen werkelijkheid en mogelijkheid te groot wordt, kunnen de gefnuikte verlangens zomaar omslaan in revolutionaire geestdrift.

Maar wacht eens even, hoe zit dat in onze contreien? Hebben wij niet ook te maken met een drammerig soort fundamentalisme? Last van gefnuikte verlangens als gevolg van het neoliberale, rücksichtsloze turbokapitalisme, een graai-ideologie die zichzelf niet als ideologie wenst te zien en ondertussen Jan en alleman laat opdraaien voor haar megalomane beginselen? Of is onze samenleving dusdanig ‘af’ dat we de straat niet meer op hoeven? Wat zei u? Occupy? U bedoelt dat lamlendige zooitje wildkampeerders dat zich door een halve traangasgranaat van hun speelplein laat verjagen?

Als u het mij vraagt, is in het rijke vrije Westen het verlangen uitgedoofd. Gevolg van een ethos dat geen uitstel duldt van verlangens en ze direct omleidt naar onmiddellijke behoeftebevrediging. ‘Werk mee, consumeer of verdwijn!’ Dat is het imperatief waarmee politici, vermaakindustrie en marketeers ons al decennialang om de oren slaan. Dit consumeer-of-ik-schiet-bevel is een vorm van systemisch geweld dat het verlangen vangt en vernietigt, de driften cultiveert en het leven reduceert tot een animaal bestaan. Een commando dat afstompt en burgers transformeert in defaitistische consumenten die hun leven als een reeks nu-opwellingen leven, gestript van hun denk- of verbeeldingskracht, en dus zonder verlangen. ‘Laatste mensen’, zoals Nietzsche ze zou noemen. Loop een gemiddelde koopgoot binnen, bezie de futloosheid van de slenterende winkelmassa’s en begrijp wat je ziet: levende doden, muzelmannen van het consumentisme.

Bij ons is het revolutionaire potentieel geïnstitutionaliseerd en overgelopen van de vraag- naar de aanbodzijde. Het geweld dat van deze zijde wordt uitgeoefend, roept wel een specifiek soort tegengeweld op. Geen bevlogen massabetogingen, maar juist eenzame wolven; radicale verliezers van de ‘werk mee en consumeer’-ratrace die bij gebrek aan perspectief hun verliezershaat niet op een maatschappelijk doel projecteren, maar op hun naasten. ‘Verdwijn!’ schettert de megafoon, en dat is precies wat ze doen.

Hetzelfde geldt voor onze polderjihadi’s. Zij verkeren echter in de gelukkige wetenschap dat hun verdwijntruc een hoger doel dient. Een van hen verklaarde dat de strijd therapeutisch werkt. Allicht: wie een ziekenboeg verlaat waar de patiënten hun gedoofde verlangens als gezondheid beleven, moet dat wel als een bevrijding ervaren.

Deze column stond 26 juni 2013 in de Volkskrant

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s